Oom Harry en de Knetterkwabmachine
Ook verschenen als De knetterkwabmachine. Het verhaal en de tekst zijn geüpdatet naar de huidige tijd.
Oom Harry en de Knetterkwabmachine
Ook verschenen als De knetterkwabmachine. Het verhaal en de tekst zijn geüpdatet naar de huidige tijd.
Details
143 p. : ill.
Besprekingen
Leeswelp
De Bel grijpt in zijn boeken graag terug naar een herkenbare realiteit: de teloorgang van het milieu (Nikki Nikkel, De kracht van Ajajatsoe), proeven op levende wezens (De knetterkwabmachine) of onderdrukking (Stuffie). Op zich potentieel interessante onderwerpen, al schort er een en ander aan de uitwerking. De sterke aanklacht tegen onrecht blijft aan de oppervlakte en lijkt slechts een dekmantel om fantastische elementen en slapstickachtige situaties te introduceren.
Dit gegeven sluit naadloos aan op De Bels literatuuropvatting: boeken mogen geen boodschap bevatten, kinderen lezen om zich te ontspannen. Dus waarom geen grappige boekjes voorschotelen, zonder veel diepgang? Dat dergelijke verhalen zelden beklijven, lijkt slechts een bijkomend euvel.
Al te gortig maakt De Bel het in Stuffie, dat volgens de achterflap een "aanklacht tegen onderdrukking" wil zijn. Nadat hoofdpersonage Stuffie onzacht met een doelpaal in aanraking komt, ontwaakt hij in het grauwe Kanaatland, waar de bevolking onder de knoet wordt gehouden door de verschrikkelijke Grote Kan en diens helper de Kankan-Goeroe (geïnspireerd op Ceaucescu). Verschillende kenmerken van het dictatoriale systeem komen aan bod: afpersing, onderdrukking van de arme bevolking en slavernij. Aan de andere kant van de Muur, die het land in tweeën snijdt, is het leven daarentegen heerlijk. Enkele dieren komen in opstand en via een hele reeks toevalligheden brengen ze de dictator ten val. De werkelijkheid (parallellen met de voormalige BRD/DDR) is echter veel gecompliceerder. En al is de doelgroep (tien-twaalfjarigen) niet gebaat bij een uitgebreide voorstelling van de complexe problematiek, ook een naïef-eenzijdige voorstelling biedt geen soelaas.
Een gedegen weergave van feitenmateriaal is in De Bels boeken ver te zoeken. In De kracht van Ajajatsoe reizen Alexander en oom Trotter naar de Jiatsoe, een Papoeastam. De levenswijze van de stam wordt uitgebreid besproken, maar jammer genoeg doorspekt met irrelevante opmerkingen. De vraag is dan ook of kinderen in de fragmentarisch aangeboden stroom van informatie een duidelijke lijn kunnen herkennen. Een uitzondering hierop vormen de "Boeboekgroeiboekjes" Kikker en Roos, waarin de Boeboeks Pit en Puf respectievelijk volgen hoe een dikkopje kikker wordt en een zaadje een roos. Helaas wordt dit groeiproces op enkele pagina's gestouwd, waardoor het weinig realistisch oogt. De Bel beseft dit zelf ook: "Nou, ze [de plantjes] groeien wel snel" (Roos). Tevens wordt in het 'Kikker'-boekje al gegoocheld met flauwe woordspelingen, bv. wanneer Pit de jonge kikkers begroet: "[K]omen jullie een luchtje scheppen? Nou, daar kikker je aardig van op!". En wanneer een Vlaamse gaai op het hoofd van Puf poept, kan de pret niet meer op.
Via onvoorziene omstandigheden probeert De Bel de nodige spanning in zijn boeken te injecteren. Veelal slaagt de auteur daar bijzonder goed in: informatie wordt strikt gedoseerd waardoor de ontknoping van het raadsel steeds verderaf lijkt. Het oude trucje van de 'aankondiging' wordt herhaaldelijk uit de kast gehaald: "Er zou nog heel wat gebeuren" (De kracht van Ajajatsoe) of "Ze zouden niet zo blij zijn als ze wisten wat hen te wachten stond" (De knetterkwabmachine).
Maar in welke benarde situatie de helden zich ook bevinden, redding is steeds nabij, zij het al te vaak via een deus-ex-machina. De Bels boeken kaderen in een romantische visie op kind- en wereldbeeld: kinderen verblijven in een besloten wereldje, confrontatie met de gruwel en verschrikkingen van de dagelijkse realiteit wordt uitgesteld. Fans van De Bel kunnen het werk van hun geliefde auteur best afwisselen met de boeken van onder andere Bart Moeyaert, Peter Pohl en Guus Kuijer waarin personages van vlees en bloed geportretteerd worden die ondervinden dat de maatschappij meer is dan een fantastische speeltuin, waar moeilijkheden niet zelf overwonnen worden, maar slechts beroep wordt gedaan op gekke ooms, pratende krokodillen of katten die met een luchtballon vliegen.
In het algemeen hanteert De Bel een eenvoudig taalgebruik, wat zijn boeken ook toegankelijk maakt voor kinderen die niet graag lezen. Eenvoudige taal is een synoniem voor relatief makkelijke zinnetjes, zonder literaire opsmuk. Soms duiken grapjes op, zoals "de gediplomeerde vuilbakkenspecialist" of "de knaroude wagen" (De katten van Kruisem) maar er wordt te kwistig mee gestrooid. De Bel zou meer moeten snoeien zodat enkel de spitsvondigheden overblijven. Geforceerde pogingen om grappig te zijn zoals "Oom sliep als een roos. Maar een die dringend water nodig had. Hij zag er flink verwelkt uit" (De knetterkwabmachine) of "[Nikki] speelde slechter blokfluit dan een Chinees blaasvarken met reuma" (Nikki Nikkel) zouden beter achterwege blijven. Het toppunt van humor vormt het spotten met een spraakgebrek: "Nooit eeldel zoiets glappigs gezien! Hahaha!" (Nikki Nikkel). Jammer genoeg voor De Bel heeft iedereen weleens iets 'glappigels' gezien dan een meisje dat vals zingt of een jongen met een spraakgebrek. Gelukkig laat hij de personages ook met deze slapstick lachen.
De Bel is tevens grote fan van alle vormen van schuttingtaal, al beweert hij enkel te noteren wat hij op straat of de speelplaats hoort. Het taalgebruik dient echter niet om kinderen een spiegel voor te houden: ook de sympathieke personages bedienen zich van een vulgair vocabularium. Het aantal 'idioten, gluiperds, luizige schoften' is niet van de poes, net zoals het al te graag herhaalde 'ik ram je je snufferd door je strot (De knetterkwabmachine). In De katten van Kruisem wordt dan weer overvloedig met het scheldwoord 'berendrol' gegoocheld.
Toch vormt De katten van Kruisem, dat veel realistischer en minder geforceerd werkt, een aangename verrassing binnen De Bels oeuvre. Er wordt voldoende spanning geïnjecteerd: zal Joppe aan het einde van het voetbalseizoen de topscorertrofee krijgen, zullen de verdwenen katten teruggevonden worden?
Joppe leert met teleurstellingen omgaan: hij wint de topscorertrofee niet, maar beseft dat de belangen van zijn ploeg soms primeren op persoonlijk succes. De boodschap wordt niet moraliserend verwoord, wat in literatuur voor deze doelgroep (tien-twaalfjarigen) een meerwaarde is. Geleidelijk beseft Joppe dat iedere mens verschillende maskers heeft. Deze visie (patchwork-identity) levert een frisse en vernieuwende kijk op, die men zelden zo goed beschreven aantreft in literatuur voor de doelgroep. Ook de eerste verliefdheid wordt serieus genomen en diepgaand uitgewerkt. Helaas bloeden enkele verhaallijnen dood: worden de verdwenen katten van Kruisem teruggevonden, waarom heeft de zigeunervrouw ooit in de gevangenis gezeten, wat is de straf voor de pedofiele trainer? Ook Het verhaal van Hebbert Wezel kan ik warm aanbevelen. Het is een knappe bewerking van Dickens' A Christmas Carol met een ongeforceerd happy end en hartverwarmende tekeningen, om uren bij weg te dromen.
In het algemeen schrijft De Bel eenvoudige jeugdboeken, met een overzichtelijke plot en de nodige dosis spanning. De intelligente en dappere hoofdfiguren spreken de jeugdige lezers aan, zeker als ze tegenover domme, kwaadaardige of ronduit naïeve volwassenen geplaatst worden. Lezers hoeven nergens na te denken, alles wordt voorgekauwd. Voeg daarbij de literaire armoede en je komt tot vlot geschreven, niet onaardige boekjes, die makkelijk lezen en nog makkelijker vergeten worden. [Jürgen Peeters]
NBD Biblion
Pluizer
Oom Harry, werkloze detective van beroep, krijgt eindelijk een opdracht om de ontvoerde kat (genaamd Puttifoer) terug te vinden. Timmy en Hanne, die op dat moment bij hem logeren, zijn getuige van een hallucinante en knettergekke speurtocht naar de kater van Mevrouw Van Nuffel. Samen vinden ze - via onder meer het Lebowskipark - Viking reus Bonker en meneer Pavlofski de ontvoerder. Doch de kater werd doorverkocht aan ... En hier start het tweede deel van dit spannende verhaal. We maken kennis met professor Knetter en zijn assistent kannibaal Knoddel. Op zoek naar de kater ontmoeten ze vliegende muizen en proef- en andere konijnen. Ze doen akelige ontdekkingen in de kasten en dozen die zich in het enge, vervallen huis van de professor bevinden. Steeds moeten Timmy en Hanne rekening houden met hun totaal onhandige oom. Hoewel ze de kater terug vinden, kunnen ze niet vermijden dat hun oom uiteindelijk slachtoffer wordt van de duivelse uitvinding van de professor.
Dit boek is de gepimpte versie van het originele verhaal dat zo'n negenentwintig jaar geleden werd uitgegeven. En hopelijk wordt het in 2048 terug uitgegeven. Het eerste deel is leuk kabbelend, maar vanaf het tweede deel stap je in een wervelwind van angstaanjagende en hilarische toestanden. Harry Columbus is een warrige bijdehante eenzaat die dankzij zijn slimmere nicht en neefje de beloofde som van 50.000 euro voor de vondst van kater Puttifoer weet te verzilveren. Het boek bulkt van de typische figuurtjes en moet het vooral hebben van de ‘drive’, de woordspelingen en de fantasie. Echt geknetterkwabd!